Restauratie van een zestienkwadraat

Het begon zo eenvoudig....

Na een zomervakantie waarbij mijn virndin, mijn ouders, broer en ik tevergeefs hebben geprobeerd naar Noorwegen te zeilen is mijn vriendin ook bevangen geraakt met het zeilvirus. Tijdens de vakantie onstond het voornemen om zelf een klein open bootje te kopen, iets waarbij je nog veel meer het zeilgevoel hebt dan op een groot kajuitjacht. Miranda heeft nog niet zoveel zeilervaring, dus een open bootje waar een niet-ervaren zeiler mee uit de voeten kan was een vereiste. Zelf heb ik lang gezeild in een Flying Arrow Schakel, en daarna nog in een Compromis 720. Toch keek ik steeds vaker naar boten die echt een lust voor het oog waren: houten boten met prachtige glimmende dekken en bronzen beslag. De boeken over Herreshoff, Joel White en William Fife waren al mee op vakantie, en eigenlijk wilden we een vergelijkbaar bootje als John G. Alden’s Dark Harbour 17.5. Na de zomervakantie ben ik begonnen met kijken op het internet en binnen een week viel mijn oog op een advertentie die blijkbaar al meer dan 9 maanden op het internet stond. Een Zestienkwadraat uit 1948. Twee weken na de vakantie stonden we, nee, lagen we onderin een Zestienkwadraat in West-Knollendam. Overal (dacht ik) geklopt, alles beoordeeld. Aan het uiterlijk viel nog een en ander af te dingen, maar de constructie was grotendeels van solide hout. Gekocht voor een spotprijs van 200 euro.

Nu nog een ligplaats. De haven was eenvoudig gekozen: Uitgeest, waar de FA ook had gelegen en de 720 nog ligt. Daar zijn we het weekend erop meteen eens heengezeild, zie foto 1 en 3.

Meteen verzocht voor een ligplaats, en voor winterstalling. Tot oktober kon de boot, genaamd Thalia, in West-Knollendam blijven liggen. In oktober hebben we de boot naar huis gevaren, en is hij meteen de winterstalling ingegaan.

Gebreken

De boot was niet geheel zonder gebreken:
-het achterdek was voor een aanzienlijk deel gedelamineerd, en er zat veel lucht onder de oude laklagen, met lichte plekken op het dek als gevolg, zie foto 2.
-er moest ergens een lek zijn, want na een uurtje varen kun je bijna zeven emmers water hozen.
-de verf aan de binnenzijde van de bodem was in zo’n slechte toestand dat bij de eerste keer hozen het meeste van de verf mee overboord ging.
-er zat nog oud beslag van een kuiptent aan de kuiprand vast, aan de binnenzijde was de kuiprand verstevig met een opgeschroefde metalen plaat. (zie foto 1)
-het beslag, blokjes en fokgeleiding door de kuiprand was in slechte staat; het liep niet meer en de lak was van de houten blokjes af.
-e zat ruim drie centimeter speling op de helmstok, zowel in zijwaartse als opwaartse richting. Tijdens het zeilen moest je om het kwartier met de hand de bout aandraaien, om te voorkomen dat de helstmstok loskwam.

Het onderwaterschip

Eenmaal in de winterstalling hebben we een losse tent met houten spanten over de boot heengebouwd zodat de wind eronderdoor kon waaien en de boel lekker kon drogen. Duidelijk was dat er al meerdere jaren niets aan gedaan was; de antifouling was er voor een groot deel af en er waren veel slechte plekken in de lak.

Na de winter (eind februari), terwijl de laatste vorst nog voelbaar was zijn we begonnen met kaalhalen. De boot was inmiddels goed droog, dus met de krabber aan de slag. Het onderwaterschip stond als eerste op het programma, immers, na de winterstalling moest hij gereed zijn om weer het water in te kunnen.

Onder de anti-fouling bleek een laag koperhoudende teer te zitten. Die laag was zo hard, dat na een een kwartier krabben de krabbers bot waren. En an anderhalf uur alle zes die we mee hadden. Uiteindelijk zijn we vier weekenden achter elkaar bezig geweest met krabber en wetsteen, met zijn tweeën, soms met zijn drieën. Uiteindelijk heb ik toch maar een aantal bussen verfafbijt gekocht, en toen heb ik in mijn eentje net zoveel gedaan als anders in een weekend met zijn twee. Hadden we dat eerder gedaan, denk je dan....

Het lek waardoor water naar binnen sijpelde was snel gevonden. Bij het boeghout bleek een rotte plek te zitten, na eenmaal uitgestoken bijna 40 cm. lang en diep genoeg om een duim in te kunnen steken. Na grondig drogen met een verfbrander wordt dit waterdicht gemaakt met epoxyplamuur. Ook aan de achterzijde worden wat grote kieren gedicht bij de dekspiegel. De lak met lucht eronder wordt losgestoken en het fineer eronder kan goed drogen. Voor de tewaterlating wordt hier ter bescherming één laag lak op aangebracht.

Na vier weken krabben begon het schuren van het blanke hout, totdat alles goed genoeg was om opnieuw in de primer gezet te worden. Twee weekenden primer, één weekend anti-fouling. Voor het onderwaterschip hebben we Epifanes underwaterprimer als grondlaag en Werdol kopervrij als anti-fouling gebruikt. Voor een waterlijn was geen tijd meer, de boot moest eind maart te water.

In april heeft hij een week of vier in het water gelegen, zodat we even uit konden puffen, en zelfs eenmaal hebben gezeild, de tweede maal op het bootje slechts.... wel al vele uren onder gelegen, nog niet veel op gezeten.

Bovenwaterschip

Begin mei gaat hij dan de loods in om het bovenwaterschip te doen.
Eerst wordt al het beslag vewijderd; alle kikkers, het overbodige beslag van een oude kuiptent en die lelijke metalen rand langs de kuiprand. We hadden verwacht dat herionder de kuiprand gebroken zou zijn, en dat om die reden die metalen strip was aangebracht, maar gelukkig bleek de kuiprand in goede staat. Wel wat scheuren, maar solide en te repareren.
De schuurmachnies worden weer te voorschijnd gehaald, er wordt nog een tweede excentrische schuurmachine aangeschaft en er worden twee bandschuurmachines gehuurd om het zware werk, de lak op de vrijboorden te doen. Deze blijken heel goed te werken, indien er maar enigszins voorzichting mee omgegaan wordt. De vrijboorden en spiegel zijn in één weekend voor wat betreft het groffe werk gedaan en nu kon het fijnere werk met de excentrische machines beginnen.Hiermee wordt het dek egschuurd, een flinke klus, want dit is een harde lak, en na vele jaren zijn er vele lagen lak over elkaar gegaan. Het fineer is te dun en zeker te fragiel om met een bandschuurmachine gedaan te worden, dus het geduld wordt aardig op de proef gesteld om dit gedaan te krijgen. De één schuurt het dek kaal, de ander werkt de romp bij. Nog voordat het dek kaal is kan de romp verder worden opgeschuurd met korrel 120-180-240. Uiteindelijk is het dek dan met pinksteren ook bijna kaal. Het wordt nog opgeschuurd met fijner materiaal en dan is bijna de hele boot kaal. Tussendoor wordt alvast met epoxy het een en ander gerepareerd; het gedelamineerde achterdek wordt verlijmd en vastgeklemd. In twee wrangen blijkt toch nog zacht hout te zitten en ook dit wordt met epoxy verstevigd. Alle schroefgaatjes die achtergebleven zijn na het verwijderen van het beslag worden ook opgevuld met epoxy. (zie ook foto’s 4-7)

Uiteindelijk, in het weekend van 14 juni gaat de eerste kwast erop. (foto 10 en 11) We hebben gekozen voor het Epifanes Rapidclear systeem aan de buitenzijde; een systeem van vrij dunne lak, waarbij schuren tussen de lagen door niet nodig is. Voor de binnenzijde gebruiken we Werdol grondverf en Epifanes Nautiforte.

De binnenzijde blijkt een zware klus te zijn; om helemaal in de voorpunt en het achteronder te kunnen schilderen moet je helemaal in het vooronder of achteronder kruipen. Niets iets voor mensen met claustrofobie. Binnen een dag zit de buitenzijde in drie lagen lak en de binnezijde in de grondverf (foto 11). Verassend genoeg blijkt de wat flauwe cognackleur die de boot eerst had te veranderen in een mooi diep mahonierood. (foto 12) Het kleurt heel mooi bij de rode antifouling die we in maart gekozen hebben voor het onderwaterschip.
Op zondag komen er nog eens drie lagen lak op en gaat de binnenzijde in de witte aflak. (foto 12) Maandag volgt één van de lastigste klussen; de waterlijn. Na veel meten hebben we de waterlijn afgetekend en afgeplakt en kunnen we beginnen met schilderen. Deze wordt wit, evenals het streepje odner de schuurlijst, die als laatste geschilderd wordt. Eindelijk is hij dan is hij gereed voor de tewaterlating. (foto 13-16)

Af is hij nog niet; de wrangen zijn wel kaalgekrabt, maar moeten nog afgeschuurd en opnieuw gelakt worden.
De vloerplaten en latten langs de wrangen moete nog opnieuw aangebracht worden.
De bronzen kikkers moeten nog op de mastkoker gezet worden, als de oude er vanaf gehaald kunnen worden (vastgeroest), en dan moeten alle rondhouten, op de fokkeloet na nog een nieuwe laklaag hebben.
En als laatste komt de nieuwe naam erop; de oude naam was Thalia, de nieuwe naam wordt Marie-Anne (vernoemd naar beide moeders). Waar de naam precies komt is nog niet beslist, in ieder geval boven de kuipbank bij de helmstok, achterop de spiegel en waarschijnlijk bij de boeg, maar dat zou ook midschips kunnen worden.

Nu komt het wel aan op discipline, om ook die laatse dingetjes nog in de zomer te doen, en niet te wachten tot de winter, wanneer het hout krimpt en het weer slecht en vochtig wordt.
Voor nu kan er weer gezeild worden, dat is het belangrijkste, en dat is precies wat ik de komende tijd ga doen.

Justus Slaakweg, juni 2003